Stichting Behoud de Eemvallei
    contact info
 
Stichting Behoud de Eemvallei
   
 
 
 
 
 
 
 
fijne feestdagen en een gelukkig en gezond 2008

    14-04-2005 
   

Hoorzitting tegen asfalt in natuurgebiedje

    In het Baarnse gemeentehuis vond vandaag een hoorzitting plaats over de door B&W gegeven vrijstelling ex artikel 19 lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening plaats. Het ging om het Bestevaer-terrein aan de Eem te Baarn dat van voormalige camping nu tientallen jaren verder is uitgegroeid tot een fraai natuurgebiedje en waar de gemeente Baarn een speelterrein wil laten asfalteren maar de stichting is daar op tegen omdat het terrein het leefgebied is van beschermde rugstreeppadden maar ook van andere amfibieën. De stichting is niet tegen een speelplaats maar wel tegen een geasfalteerde.

De gemeente twijfelt aan de aanwezigheid van rugstreeppadden want zij heeft het bureau Natuurbalans-Divergens ingehuurd om dat te onderzoeken en dit bureau heeft daarover een rapport uitgebracht. De stichting bestrijdt dit rapport omdat het onderzoek waarop het steunt, volstrekt ondeugdelijk is uitgevoerd.

Bestuurslid C.V. Koolmees van de stichting ‘Behoud de Eemvallei’ bracht in de hoorzitting de bezwaren van de stichting over de rapportage naar voren. Om een voorbeeld te noemen, op slechts één dag is het hele terrein onderzocht dat volgens de stichting diverse malen, over een heel jaar verspreid, had moeten plaatsvinden waardoor er een beter en betrouwbaar beeld van de situatie zou zijn verkregen.

Het verweer van de stichting is onderstaand weergegeven.

‘Inspraaktekst stichting’

Het bestuur van de stichting ‘Behoud de Eemvallei’ wil van deze hoorzitting gebruik maken om uitvoerig te reageren op de rapportage van de stichting Natuurbalans en de stichting Ravon.

De stichting wil op de reactie d.d. 11 januari 2005 van heer Krekels van bureau Natuurbalans als volgt reageren. In zijn reactie schrijft de heer Krekels dat er in de Eemvallei grote aantallen rugstreeppadden voorkwamen. De stichting acht deze opmerking, met name gericht op het woord ‘kwamen’ niet onderbouwt omdat de stichting ervan uitgaat dat deze padden nog steeds in grote aantallen voorkomen.

De heer Krekels heeft het betreffende terrein van de voormalige Bestevaer-camping overdag bezocht om het te beoordelen op de geschiktheid voor rugstreeppadden. Voorts geeft de heer Krekels aan dat hij zijn reactie heeft gegeven op grond van jarenlange ervaringen maar de stichting vindt dit een onduidelijke kwalificatie omdat hieruit niet blijkt of het hier gaat om de ervaring van de heer Krekels of van bureau Natuurbalans. Ook vraagt de stichting zich af of een rapporteur als de heer Krekels dit over zijn eigen bureau kan verklaren omdat dit slechts mag gebeuren door onafhankelijke externe instanties.

In het onderzoeksrapport is volgens bureau Natuurbalans duidelijk aangegeven dat het betreffende gebied niet als leefgebied van de rugstreeppad kan worden gezien waardoor vervolgonderzoek volgens dit bureau dan ook niet noodzakelijk was. De heer Krekels gaat in op de geringe omvang van het plek waar het speelterrein volgens de gemeente zou moeten komen maar het gaat hier niet om deze geringe omvang maar minimaal om het totale voormalige Bestevaer campingterrein en volgens de stichting zelfs nog een groter omliggend terrein omdat de rugstreeppadden zeer mobiel zijn. De stichting heeft derhalve daarover een andere zienswijze dan de stellingname van de heer Krekels.

De heer Krekels geeft aan dat de aanleg van het speelveld geen gevolgen heeft voor de rugstreeppad in de Eemvallei. Echter volgens de stichting gaat het niet om de hele Eemvallei maar om een klein deel ervan. De heer Krekels verliest uit het oog dat hij het betreffende terrein en de directe omgeving dient te onderzoeken en niet de hele Eemvallei. Er kan mogelijk wel een verband zijn, maar daar gaat het hier niet om.

De heer Krekels zegt verder in zijn reactie dat op basis van de kennis van bureau Natuurbalans geen omvangrijker onderzoek noodzakelijk is. Dit is wel een heel smalle basis om zoiets te beweren. Krekels verklaart dat de stichting een groots opgezette argumentatie heeft die doet vermoeden dat niet enkele vierkante meters speelplaats worden geasfalteerd maar een groot deel van de Eemvallei. De stichting vindt deze ongefundeerde conclusie van bureau Natuurbalans totaal niet op zijn plaats. De opmerking ‘doet vermoeden’ is een zeer onzekere en een factor waar geen rekening mee kan worden gehouden en deze dient dan ook buiten een reactie van de heer Krekels te blijven omdat er het bureau Natuurbalans niet voldoende heeft gepresteerd om een en ander duidelijk in kaart te brengen.

In de reactie van Krekels staat voorts vermeld dat de stichting haar verweer opende met de opmerking dat bureau Natuurbalans de situering van de locatie abusievelijk verkeerd heeft benoemd en dit vervolgens maatgevend vindt voor de rest van het rapport. Dit is niet correct want in de tekst van de stichting staat: ‘Opgemerkt zei dat er een fout staat op pagina 3 van het rapport . Daar staat vermeld dat de Eem ten zuid-westen van het betreffende perceel ligt terwijl dat ten zuid-oosten is. Dit geeft reeds aan dat het rapport niet met de nodige zorg is samengesteld’.

De stichting geeft de volgende reactie op deze opmerking van de heer Krekels en verklaart dat niet door de heer Krekels kan en mag worden beweerd dat de stichting dit maatgevend vond voor de rest van het rapport. Waar haalt de heer Krekels zo’n bewering vandaan? De stichting heeft dit immers nooit beweerd. De heer Krekels lijkt door zijn eigen interpretatie zijn doel voorbij te schieten.

De heer Krekels schrijft verder in zijn reactie dat de argumenten die de stichting daarbij onder ad a) van haar bezwaarschrift aanhaalt zoals de zin:
“Kunnen eerder van belang zijn maar daar heeft het bureau Natuurbalans haar onderzoek niet op gericht, dan de vermeende aanwezigheid van rugstreeppadden op de locatie van het speelveld’.

De stichting heeft in ad a) gezegd dat: “Als dit plan doorgaat zal er sprake zijn van een ecologische verwoesting, mede omdat in dit terrein de Rugstreeppad voorkomt. Het hier en daar drassige terrein blijkt de ideale biotoop te zijn voor deze bedreigde diersoort welke door de overheid beschermd dient te worden. Die bescherming geldt bovendien voor het leefgebied van deze dieren. Twee jaar geleden stelde de Provincie in haar ecologische inventarisatie de aanwezigheid van deze diersoort hier vast.”

De stichting vindt dus dat bureau Natuurbalans compleet voorbij gaat aan de rapportage van de provincie en tevens voorbij gaat aan informatie die eerder van belang was. Voorts komt de stichting in de voorhanden zijnde stukken nergens tegen dat het bureau Natuurbalans daarover contact heeft gehad met de Provincie terwijl de stichting dit wel had verwacht. In de betreffende reactie zegt de heer Krekels dat hij zich richtte op de locatie van het speelveld, maar de stichting vindt dit een veel te mager om tot vaststelling van feiten te komen.

De heer Krekels zegt verder in zijn reactie: ‘Of een dergelijk speelveld past binnen de Eemvallei is een andere vraag en valt buiten ons onderzoek.’ De stichting stelt nogmaals dat zij dit nooit heeft gezegd. De stichting is namelijk niet tegen een natuurlijk aangelegd speelveld maar wel tegen een geasfalteerd terrein.

De heer Krekels gaat verder in zijn reactie door te zeggen dat de aanleg van het speelveld absoluut geen afbraak aan de natuurlijke staat van instandhouding van de rugstreeppadden in de Eemvallei doet. Volgens de stichting maakte de heer Krekels hier een kardinale fout want de belangrijke Flora- en Faunawet spreekt daar namelijk niet over. Deze vrij nieuwe wet spreekt namelijk over verstoring en de habitat van de paddensoort en niet over de gebiedsgrootte ervan. Bureau Natuurbalans moet dit toch weten en had dit in haar rapportage zeker moeten aangeven maar zij richt zich slechts op de beantwoording van de door de aanvrager, zijnde de gemeente Baarn, voorgelegde vragen.

De heer Krekels stelt vervolgens dat er geen voortplantingswateren aanwezig zijn op het betreffende voormalige Bestevaerterrein hetgeen binnen dit kader correct is, maar de stichting weet dat er direct grenzend aan het terrein, aan drie zijden, sloten met water zijn gelegen, en dijken aan 2 zijden. De provincie zelf geeft in haar informatie aan dat het potentiële voortplantingswateren en overwinteringplaatsen betreffen. Volgens de stichting geeft bureau Natuurbalans hier indirect aan dat de aanleg van een geasfalteerd speelveld een bedreiging vormt voor de aanwezigheid en voortplanting van de rugstreeppadden. Bureau Natuurbalans gaat in haar rapportage hier te makkelijk aan voorbij.

De heer Krekels zegt verder in zijn reactie dat een ontheffing van de Minister niet noodzakelijk is. De stichting en daarvan moet de gemeente Baarn toch ook op de hoogte zijn, heeft van de Minister LNV bericht ontvangen dat deze ontheffing wel noodzakelijk is. In zijn reactie schrijft de heer Krekels verder dat de stichting bij een ander standpunt dan dat van bureau Natuurbalans, de stichting zelf moet aantonen dat er de rugstreeppadden aanwezig zijn. De stichting deelt deze mening in het geheel niet. De heer Krekels zegt dat hierover recente jurisprudentie is maar in deze kwestie van het betreffende terrein is de zaak niet tot op de bodem uitgezocht en ligt de verplichting derhalve bij het bevoegde gezag, de gemeente Baarn. De enkele en summiere verwijzing naar een recente jurisprudentie zegt totaal niets omdat elk geval anders beoordeeld dient te worden.


De stichting zal nu ingaan op het Beoordeling rapport Bestevaer
d.d. februari 2005 van stichting Ravon te Nijmegen.

Dit rapport is opgemaakt door J. van Delft van Ravon in opdracht van gemeente Baarn waarbij er gekeken moest worden naar de zorgvuldigheid van uitvoering door bureau Natuurbalans. Met betrekking tot hoofdstuk 2, Analyse verklaart de stichting het volgende. De rapportage van Ravon zegt da de gebiedsbegrenzing niet overal even duidelijk is. De stichting acht dat er derhalve een onduidelijke situatie is ontstaan want wat moest er nu precies onderzocht worden.

Ravon zegt dat het van belang is twee zaken goed uit elkaar te houden, namelijk de vraag of de rugstreeppad aanwezig is en, of als de soort aanwezig is, het schadelijk is om 15 bij 15 meter te asfalteren.

De stichting verwijst in dit verband op artikel 10 van de Flora- en Faunawet waarin staat dat het verboden is om dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, opzettelijk te verontrusten.

Verder zegt artikel 11 van diezelfde wet dat het verboden is nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen van dieren behorende tot een beschermde inheemse soort te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren.

De stichting is van mening dat de aanleg van een geasfalteerd terrein onder de werking van deze artikelen valt.

Ravon geeft op pagina 3 van haar rapport aan dat bureau Natuurbalans 1 bezoek heeft gebracht aan het betreffende gebied terwijl Ravon aangeeft dat er standaard ten minste 3 veldbezoeken verdeeld over het actieve seizoen moeten worden uitgevoerd. Volgens de stichting betekent de advisering van Ravon dat er een beter onderzoek dient te worden uitgevoerd. De rapportage van bureau Natuurbalans kan derhalve worden aangemerkt als onvoldoende.

Ravon adviseert op pagina 3 van haar rapport om minimaal 3 bezoeken aan een gebied te brengen om zo de kans van aantreffen van de soort voldoende groot te maken. Het bezoek door Natuurbalans was slechts op 1 dag namelijk 10 juni 2004. Die dag was het 23,9 graden Celsius terwijl de periode ook droog was waardoor de aangrenzende sloot ten zuiden van het gebied droog stond maar een andere sloot die ten westen en ten noorden van de locatie ligt is door bureau Natuurbalans niet bekeken. Overigens gaf Ravon aan dat een dergelijke sloot als die ten zuiden van het terrein lag bijzonder geschikt was als voortplantingswater van de rugstreeppadden. De conclusie van de stichting is derhalve dat het aantal veldbezoeken ruim onvoldoende is geweest

Op pagina 4 van het Ravon-rapport staan de 2 vragen vermeld die de gemeente Baarn aan het bureau Natuurbalans heeft gesteld namelijk:

Doel 1/ Zijn er natuurwaarden aanwezig op de locatie van het speelterrein.
De stichting acht de vraagstelling van de gemeente wel erg summier namelijk het zich louter beperken tot de exacte locatie van het speelterrein.

Doel 2/ Vaststelling of er rugstreeppadden in het gebied voorkomen en zo ja welke gevolgen de aanleg van het speelterrein voor deze soort heeft.

Met betrekking tot doel 2 heeft de stichting de volgende op- en aanmerkingen. Ravon geeft in haar rapport aan dat doel 2 onvoldoende is bereikt. De vaststelling door het bureau Natuurbalans dat er ten zuiden van de betreffende locatie een potentieel voortplantingswater aanwezig is alsmede de vaststelling dat het struweel rondom het terrein potentieel geschikt is voor amfibieën alsmede de optie dat als de soort in de sloot aanwezig is of gebruik maakt van het struweel, het betreffende gehele gebied binnen de actieradius van de zeer mobiele rugstreeppad valt.

De mening van Ravon is dat als de rugstreeppad aanwezig is om de gewenste ingreep aan LNV voor te leggen. De stichting deelt de mening van Ravon niet. De stichting heeft van de Minister van LNV reeds bericht ontvangen waarin staat dat de gemeente Baarn een ontheffing dient aan te vragen. De stichting stelt zich dan ook op het standpunt dat de gemeente Baarn zich hieraan conformeert.

Op pag. 5 van het Ravon-rapport staat onder ‘conclusies’ het volgende.
De omvang en variatie in het betreffende gebied maken dit gebied potentieel geschikt voor amfibieën en ook voor de rugstreeppad waardoor het volgens Ravon is aan te bevelen om meerdere veldbezoeken te brengen. De stichting is van mening dat tijdens deze veldbezoeken alle beschermde amfibieënsoorten hadden moeten worden betrokken en niet alleen de rugstreeppadden.

Ravon stelt dat het veldwerk is uitgevoerd aan het eind van de voortplantingstijd. Ravon vindt dat ook niet verwonderlijk omdat bureau Natuurbalans maar 1 bezoek heeft gebracht en nog wel overdag. Ravon zegt dat de ervaring van bureau Natuurbalans buiten kijf staat maar aan de andere kant geeft zij aan dat het onderzoek onvoldoende is geweest. De stichting begrijpt een dergelijke uitspraak niet want het gaat hier toch om 1 zaak en niet om zaken die dit bureau in het verleden heeft uitgevoerd.

Ravon zegt desondanks in haar rapportage dat het beslist zou kunnen zijn dat dit bureau een juiste conclusie heeft getrokken tot de waarschijnlijke afwezigheid van de rugstreeppad. Echter de stichting Behoud de Eemvallei acht deze conclusie zeer twijfelachtig en op geen enkele wijze onderbouwd. Sterker nog, Ravon geeft zelf aan dat die conclusie veel harder was geweest als er meerdere veldbezoeken waren gedaan. De stichting is het met deze conclusie oneens omdat er eerst wordt gesproken in termen van ‘zou kunnen zijn’ en waarschijnlijke afwezigheid’ gevolgd door de zin ‘dat die conclusie veel harder was geweest’ enz enz. Dit valt absoluut niet met elkaar te rijmen en de stichting vindt deze conclusie onjuist.

Verder geeft Ravon aan dat nu twijfel mogelijk blijft en van die mogelijkheid heeft de stichting gebruikt gemaakt. De stichting acht dit een zeer zwaar punt omdat alle twijfel is ontstaan doordat de onderzoekswijze niet voldeed aan hetgeen door Ravon terecht is gesteld.

Op pag. 6 van het Ravon-rapport staat het volgende. Een van de conclusies van deze pagina is dat het hele onderzoeksgebied niet aan de eisen voldoet die rugstreeppadden aan hun leefgebied stellen. Dit wordt door Ravon tegengesproken omdat er terdege een potentieel geschikt voortplantingswater in de directe nabijheid van het gebied ligt. Ravon stelt dat als de rugstreeppad gebruik maakt van de sloot het geplande speelterrein binnen het leefgebied van de rugstreeppadden valt. Tevens is het een feit dat de struwelen rondom het terrein dekking en beschutting kunnen bieden aan de fauna waaronder amfibieën. De stichting merkt nogmaals op dat de inventarisatie alle amfibieën soorten dienen te betreffen.

Op pag. 7 van het Ravon-rapport is weergegeven dat LNV bepaalt of de ingreep mag doorgaan. Ravon is in haar eindconclusie ook van mening dat met een betere verdeling van de veldwerktijd, er hardere uitspraken over een gebied van grofweg 2 hectare mogelijk was geweest. De stichting deelt deze mening en eist derhalve dat de zaal opnieuw dient te worden bekeken maar door een ander natuurbureau.

Afsluitend, wil de stichting u wijzen op uw brief d.d. 5 juli 2001 die door u is verspreid onder de bewoners van de aangrenzende wijk . In deze brief geeft u aan dat voor de aanleg van een speelvoorziening vanwege de agrarische bestemming van het terrein een bestemmingsplanwijziging nodig is . U geeft in die brief zelfs aan dat wijzigingen van het Bestemmingsplan inclusief voorbereidingsbesluit en inspraakprocedures ongeveer 9 tot 12 maanden zal duren. De stichting vraagt zich af waarom u zich niet aan deze afspraak heeft gehouden.

De stichting vraagt tevens zich af, daarbij verwijzend naar de Algemene Wet Bestuursrecht, waarom de gemeente Baarn niet in alle openheid met haar burgers heeft gezocht naar alternatieven. De Algemene Wet Bestuursrecht is daar namelijk sturend in. Uit het verslag van de bijeenkomst van de wijkavond d.d. 25 november 2004 blijkt dat bewoners daarover vragen hebben gesteld. Het antwoord van wethouder Glastra van Loon was toen dat andere plekken niet in aanmerking kwamen voor het plaatsen van een speelveldje. Maar het waarom die andere locaties niet in aanmerking kwamen is nooit uitgebreid naar voren gekomen. De stichting acht het nodig dat de gemeente alsnog met deze alternatieven naar buiten komt en haar burgerij vertelt waarom die alternatieven dan niet in aanmerking kwamen. Tot zover de reacties van de stichting Behoud de Eemvallei.
 
   
vorigevolgende
   

terug / index / archief
   
   (c) 2008 Stichting Behoud de Eemvallei